Historie

403963_472483869431554_843555496_n

Groot Hertog Karl August von Sachsen Weimar (1757–1828)

Weimar is een industriële stad in het voormalige Oost-Duitsland. In het verleden was Weimar echter een florerend cultureel centrum, waar schilders en dichters graag vertoefden. Beroemde kunstenaars als Johann Sebastian Bach, Franz Liszt, Johann Wolfgang Goethe, Christoph Friedrich von Schiller en Johann Gottfried von Herder zijn korte of langere tijd verbonden geweest aan deze stad. De Weimaraner dankt zijn naam aan de jacht- en jachthondenliefhebber Groot Hertog Karl August von Sachsen Weimar (1757–1828) die met Weimaraners, of de voorouders daarvan, zou hebben gejaagd. Weimaraners zouden voor het eerst stelselmatig aan het Hof van Weimar, waar Groot Hertog Karl August resideerde, gefokt zijn. Het ras lijkt echter veel ouder te zijn, aangezien zowel qua bouw als kleur op Weimaraners gelijkende honden reeds te zien zijn op kunstwerken van veel oudere datum, zoals een schilderij van Van Dijck uit 1631 en een schilderij van Antonis Morr uit 1549.

 

473px-Antonio_Moro-Le_nain_du_cardinal_de_Granvelle_tenant_un_gros_chien-1549-53

Antonio Moro Le nain du cardinal de Granvelle tenant un gros chien

Herkomst

Over de herkomst van de Weimaraner is veel geschreven. Verschillende, elkaar tegensprekende theorieën zijn kortere of langere tijd in zwang geweest. Een van de populairste aannames was dat de Weimaraner een degeneratie was van de Duitse Staande Korthaar. De zilvergrijze kleur zou een mutatie, een vervaging van de kleur bruin of zwart kunnen zijn. Genetisch klopt dat voor wat betreft zwart niet; dilution (verdunning) van zwart leidt immers tot blauwgrijs terwijl de Weimaraner zilver-, ree- of muisgrijs behoort te zijn met een donkervleeskleurige neus. Dit duidt op een verdunning van bruin. Ook de Bloedhond wordt als mogelijke voorouder genoemd, evenals de Duitse Dog. De beste kaarten heeft hij die ervan uitgaat dat de Weimaraner afstamt van de Sint Hubertus Brak aangezien deze brak wordt beschouwd als de oudste jachthond, waarvan alle moderne jachthonden afstammen. Dat zou ook zijn natuurlijke aanleg voor zweetwerk, veel sterker ontwikkeld dan bij de andere continentale staande hondenrassen, verklaren. Tegelijk verklaart dat ook dat de Weimaraner bij het werk voor het schot, uitzonderingen daargelaten, niet als hoogvlieger bekend staat.

 

prince-rupert-von-der-pfalz-1632.jpg!Blog

Prins Rupter von der Pfalz 1632

Maximilian

De eerste melding van staande honden in de Duitse taal is een korte notitie van keizer Maximilian, die regeerde van 1493 tot 1519. Hij schreef de hertog van Oostenrijk over de valkenjacht en gaf instructies aan zijn bedienden om een afgesloten terrein te prepareren voor de jacht op ‘Waldhuehner’ (houtsnip) of ‘Feldhuehner’ (patrijs). Voor deze jacht gebruikte men een net en een staande hond. In de periode waarin de keizer deze tekst schreef, had Oostenrijk de macht over Spanje. De Spaanse Pointer (Perdiguero de Burgos) werd in die tijd veelvuldig naar Oostenrijk en Duitsland gebracht. De Weimaraner is een staande hond en de aanleg tot voorstaan komt zeker niet van de Bloedhond of Sint Hubertus Brak. Een ras dat in de ontstaansgeschiedenis van veel staande hondenrassen terug te vinden is, is de Spaanse Pointer en onmiskenbaar heeft dat ras ook invloed gehad op de Weimaraner.

 

Leithund

38_Vorsuche_Leithund_D

Leithund

Het ligt verder voor de hand dat de uitgestorven Leithund een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de Weimaraner als ras. De Leithund was een hond die aangelijnd werd ingezet om het wild te lokaliseren alvorens men met de jacht begon. De Leithund moest een rustig karakter hebben en mocht niet hals geven (blaffen) als hij het wild gevonden had. Zodra de Leithund het wild had opgespoord, werden de brakken losgelaten om het wild op te jagen en te stellen. De Leithund kwam in verschillende kleuren voor, waaronder ook grijs. Aangenomen kan worden dat de tegenwoordige zweethonden zijn ontstaan uit de leithund. Met de introductie van het jachtgeweer veranderde de jachtmethoden aanzienlijk. Aanvankelijk was het geweer nog niet zo trefzeker. Vaak werd een dier wel geraakt, maar niet direct gedood. Hierdoor ontstond er een grotere behoefte aan honden die het zweetspoor (ofwel het bloedspoor van het gewonde wild) konden volgen tijdens de zogenaamde nazoek. Omdat men, in tegenstelling tot de in stilte werkende Leithund, bij het zweetwerk wel graag een luidwerkende hond zag, ging men ertoe over de brak in te kruisen. Zo ontstond een rustige, evenwichtige en spoorvaste speurhond die luid op spoor was en het wild tevens stelde.

 

Erkenning

In 1896 werd de Weimaraner erkend als ras, nadat een eerste verzoek daartoe reeds in 1882 bij wat wij nu de kennelclub zouden noemen (Delegierten Kommission) was afgewezen . Er was aanvankelijk veel oppositie tegen erkenning, daar veel kynologen van mening waren dat de Weimaraner slechts een kleurvariëteit was van de Duitse Staande Korthaar. Uiteindelijk werd juist op basis van de onderscheidende kleur besloten dat de Weimaraner een op zichzelf staand ras was. Hij was daarmee het vijfde specialistische jachthondenras dat in Duitsland erkenning kreeg. De (inmiddels uitgestorven) Dreifarbige Wütemberger Vorstehhund, de Duitse Staande Draadhaar, de Duitse Staande Korthaar en de Duitse Staande Langhaar waren hem voorgegaan. In 1897 legde Major von Bünaude eerste raspunten vast. In datzelfde jaar werd de eerste vereniging opgericht , de ‘Verein zur reinzücht des silbergrauens Weimaraner Vorstehhundes’ , waarvan de naam een jaar later werd gewijzigd in ‘Verein zur Züchtung des Weimaraner Vorstehhundes’.Het eerste geregistreerde en dus officiële weimaranernest werd in 1881 geboren in de kennels van ritmeester Pitschke in Sandersleben. Op 27 april 1935 werd de rasstandaard gewijzigd en werd ook de Weimaraner Langhaar erkend.

index

Major R. Herber, zijn vrouw en Minne aus der Wulfsriede

Herber

Na WOI heeft Major Robert Herber (1867-1946) een belangrijke rol gespeeld bij de opbouw van het ras. Samen met zijn vrouw Hetty runde hij de kennel ‘Aus der Wulfsriede’. Herber wordt wel beschouwd als de ‘vader’ van het ras. Hij ging ervan uit dat de Weimaraner zijn oorsprong vond in oude brakken, maar sloot niet uit dat de voorouder van de Bloedhond, de zwarte St. Hubertusbrak, een rol had gespeeld in het ontstaan van het ras. Hij ging ervan uit dat er al vroeg kortharige, grijze honden aanwezig waren en achtte het waarschijnlijk dat iemand op een gegeven moment doelbewust met excellente jachthonden in deze kleur is gaan fokken. Met name in de streek Thüringen, waarin de stad Weimar ook gesitueerd is, kwamen deze honden in grotere aantallen voor.

 

Langhaar

De Oostenrijkse Ludwig von Merey von Kapos Mere (1871-1938) die veel boeken over jachthonden heeft geschreven onder het pseudoniem Hegendorf, heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de Weimaraner Langhaar. Op de hondenshow in Wenen in 1934 werd de reu ‘Tell von Stranzendorf’ uitgebracht, die veel commotie veroorzaakte: hij was langharig. Tell werd geboren uit twee kortharige Weimaraners: ‘Hella Wagner’ en ‘Pollo von Hollabrunner’, die beide ook uit korthaarouders geboren waren. Hegendorf was met name geïnteresseerd in jachtopzichtershonden, die hun baas konden helpen bij de bestrijding van stroperij. Vachtkleur of –lengte waren voor hem totaal ondergeschikt aan de functionaliteit van de hond. Hegendorf had nauw contact met de voorzitter van de Oostenrijkse Weimaranerclub , de heer Stockmeyer, die prins Hans von Ratibor Hohenlohe ervan overtuigde dat de Weimaraner een bijzonder handige jachthond was. Dit resulteerde erin dat Oostenrijkse boswachters en jagers in dienst van de overheid met Weimaraners gingen werken.

Op de Internationale Wereldtentoontelling in Frankfurt am Main in 1935 werd het voorval van de langhaar Weimaraner besproken door de Deutsche Fachschaft en de Österreichische Weimaraner Verein. Veel leden bevestigden dat er in het verleden meer langharen geweest waren. Op basis van die kennis werd besloten de langharige variëteit te accepteren. Met name Hegendorf, gebruik makend van de invloed van Stockmeyer, heeft een belangrijke rol gespeeld om de voorzitter van de Duitse vereniging, Herber, te overtuigen van de waarde van de langhaar. In 1936 was de reu Illo von Hipkendahl, geboren uit twee kortharen, de eerste Weimaraner langhaar die werd ingeschreven in het Duitse register. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de fragiele basis van de langhaar teniet gedaan. Dankzij enkele fokkers in Oostenrijk die nog enkele nesten konden fokken, ging de langhaar niet geheel verloren. In 1965 werd het in Duitsland verboden om de langhaar en de korthaar onderling te kruisen, tenzij er een indicatie is dat de korthaar genetisch langhaar in zich herbergt.

 

Nederland

De allereerste inschrijving en in het Nederlands Hondenstamboek (NBSH) van Weimaraners vond plaats in 1898 (De stamboomnummers 749 en 750 voor Roland en zijn nestzus Bella). Dit wil overigens niet zeggen dat dit ook de eerste Weimaraners in ons land waren. Pas halverwege de jaren ’50 kwam de fokkerij in ons land op gang. De eerste importen kwamen uit Duitsland, waarna ook importen uit Oostenrijk volgden. De registratie van een Weimaraner in het Nederlandse HondenStamBoek was in 1957. De eerste samenkomst van Weimaraners in ons land was op 13 maart 1966 op de raskeuring in het Jagerhuis in de bossen bij Zeist. Er waren maar liefst 46 inschrijvingen. Over het algemeen waren de Weimaranereigenaren echter niet zo happig om naar tentoonstellingen te gaan. De meeste liefhebbers van het ras waren jagers die er weinig lol in zagen om de hele dag met hun hond in een hal te gaan zitten. Ze gingen liever met hem de bossen in!

De eerste langhaar Weimaraner die als importhond naar ons land kwam, was de reu ‘Hief aus der Greifenburg’. De eerste in Nederland gefokte langhaar was ‘Thera van d’Oude Stee’ ,die werd gefokt door de heer S. van Schuppen. De langhaar Weimaraner komt in ons land vanaf het begin minder voor dan de korthaar. Met name in de jaren ’70 zijn er enkele langhaarreuen geweest die een zware stempel op het ras hebben gedrukt. Toen eind jaren ’90 meer inzicht kwam in de efelijkheidsleer en men er achter kwam dat veelvuldige toepassing van inteelt tot grote problemen kan leiden, ging men in dit licht ook binnen de vereniging kijken naar de populatie langharen. Bij inteeltdepressie is sprake van een verminderde vitaliteit en fertiliteit en komen er kleinere nesten voor. De Nederlandse vereniging staat geen kruisingen toe van kort en langharen. Kruisingen zullen door de Raad van Beheer niet in het stamboek ingeschreven worden zonder goedkeuring van de rasvereniging, conform een getekend convenant tussen de rasvereniging WSH en de Raad van Beheer.